Marleen Ouwerkerk

Creativity is the mind having fun

#1 Pechdag

#1 Pechdag

Shit, ik moet nog tanken! Helemaal vergeten. Nu kom ik zeker te laat. Waarom ben ik ook zo’n warhoofd?! Ik word er gek van. Nooit gaat er eens iets gewoon goed. Nee, er gaat altijd iets mis. Snel spring ik in de auto en zet koers richting het tankstation. Het is druk op de weg. Ja hoor, er staat een hele rij bij het tankstation. Heb ik weer. Ik zucht diep, sluit even mijn ogen en zeg tegen mezelf dat ik er niets aan kan veranderen, dat het nu eenmaal zo is. Dan ben ik maar te laat. Ze wachten wel op me. Toch? Of zou het vliegtuig zonder mij vertrekken? Oh nee, ik mis mijn eerste sessie! Dat kan toch niet. Ik heb er zó lang voor gespaard! Ik moet mee! Ze moeten op me wachten. De rij voor me wordt gelukkig steeds korter. Ik kijk naar de achterkant van een dikke Audi TT, zwart en glimmend. Waar halen al die mensen toch dat geld vandaan? Dikke auto, of twee, een groot huis, bij de tennisclub, eten in fancy restaurants en ga zo maar door. Daar zit ik dan in mijn Fiat Panda uit het jaar nul. Ik ben al lang blij dat het beestje nog rijdt. Er stapt een blonde, slanke vrouw uit de Audi en nadat ze wat toetsen bij de pomp in heeft getikt pakt ze de slang en hangt het ding op de meest elegante manier die ik ooit gezien heb in de opening van de auto. Ze likt met haar tong over haar lippen. Ik volg haar blik en zie waarom ze zich zo elegant en sexy gedraagt. Aan de andere kant van het tankstation staat een of andere kerel met zijn haar glad naar achteren gestreken naar haar te kijken. Ze flirtten met elkaar. Ik zucht nog eens en rol met mijn ogen. Nadat de twee tortelduifjes klaar zijn met hun meest sexy blikken uitwisselen stapt de vrouw weer in en rijdt weg. Eindelijk! Ik parkeer mijn Panda langs de pomp en stap uit. Ik loop achter de auto langs en steek mijn pasje in de automaat. Tik, tik, tik, tik, mijn pincode. Ik wacht op het zinnetje: ‘U kunt nu tanken aan pomp 4’ maar het apparaat zal wel van slag zijn. Er staat: ‘Saldo te laag.’ Ik haal het pasje eruit en probeer het nog een keer, maar dan valt het kwartje. Geen saldo meer! Shit! Ik zou het liefste heel hard gaan schreeuwen, maar aangezien er zich nog zo’n zevental mensen in mijn nabije omgeving bevinden, besluit ik mijn woedde maar door te slikken. Dit wordt dus een een grote gok. Ik weet niet of ik het red tot Amsterdam met de benzine die ik nog heb. Shit, shit shit! Waarom? Wat heb ik ooit misdaan dat ik toch altijd zoveel pech heb? Snel stap ik mijn auto weer in en als een malle race ik over de snelweg richting Amsterdam. Met het zweet op mijn voorhoofd kijk ik naar de klok, 8:13 uur. Om 8:45 vertrekt het vliegtuig. Het is nog zeker twintig minuten rijden en ik moet nog inchecken. Tot overmaat van ramp besef ik me plots dat ik nodig moet plassen. Flits! Shit! Ook dat nog. Hoe hard reed ik? 130? Ach ja, dat kan er ook nog wel bij, een bekeuring, net nu al mijn geld op is. Waarom ging ik dit ook al weer doen? Waarom moest ik naar een nieuwe omgeving? Waarom moest ik per se daar heen? Waarom? Ik schreeuw de frustratie eruit. Precies op dat moment rijdt er een auto naast me en de bestuurder kijkt me verbaasd aan. Wat kan mij het schelen. Ik heb het recht om te schreeuwen. Ik mag schreeuwen waar en wanneer ik dat wil.

8:36 uur. Ik stap uit, pak mijn handbagage van de achterbank en smijt de deur dicht. Als een malle ren ik op mijn hakken het vliegveld binnen. Mijn ogen flitsen alle kanten op, op zoek naar het juiste nummer. Hal 14, waar is hal 14 verdorie? Ja, daar! Ik ren zo snel als mijn stiletto’s het toelaten naar de bordjes met nummer 14 erop. Waarom moest ik die stiletto’s ook aan doen? O ja, voor het geval ik de liefde van mijn leven tegen kom op het vliegveld, maar dat gaat niet gebeuren, niet vandaag. Ik heb haast. Ik ren als een malle over het vliegveld, mensen hebben niet eens de tijd om me te bekijken. Mocht dat onverhoopt toch lukken denken ze waarschijnlijk: die is gek!  Uiteindelijk kom ik bij het grote bord met nummer 14 aan.  Alle stoelen zijn leeg. Ik kijk naar mijn horloge, 8:45 uur en zie een stewardess naar me wuiven dat ik op moet schieten. Ik ren haar kant in. Ondertussen vis ik mijn ticket uit mijn jaszak. Als ik bij de wuivende stewardess aankom, geef ik haar mijn ticket en ren ik – op aanwijzing van de stewardess – door de lange witte gang naar de deur van het vliegtuig. Ik heb het gehaald! Ik heb het gehaald! Ik sta te hijgen bij de ingang, terwijl een andere stewardess mijn ticket bekijkt.

‘Welkom aan boord, mevrouw Versparre. Fijn dat u het gered heeft. U mag plaats nemen in rij 12, stoel 1. Een fijne vlucht.’ De stewardess glimlacht vriendelijk en ik haast me naar mijn plaats. Snel werp ik een blik op mijn horloge. 8:48 uur. Ik heb ervoor gezorgd dat dit vliegtuig vertraging op heeft gelopen. Alle ogen zijn op mij gericht. Ze zitten allemaal te wachten op mij. Ik schaam me dood. Waarschijnlijk heb ik een knalrode kop, warrig haar, en een bezweet voorhoofd. Ik excuseer me, bij de mensen waar ik mijn bagage boven in het opberg vak prop. Er is nog maar één plaats vrij in deze rij, die zal dan voor mij bestemd zijn. Ik excuseer me nog eens bij de vrouw die naast de lege stoel zit. Ze schuift haar benen opzij en ik laat me met een plof in de stoel vallen. Een diepe zucht ontsnapt.
‘Dat was op het nippertje.’ zegt de vrouw en ze lacht naar me.
‘Zeg dat wel.’ hijg ik en ik lach vriendelijk terug. Ik wrijf mijn vastgeplakte haar uit mijn gezicht en kijk nog eens naar de vrouw naast me. Zou zij ook naar de sessie gaan? Zal ik het haar vragen? Of is dat stom? Oh nee toch. Plotseling voel ik weer die enorme druk op mijn blaas. Helemaal vergeten dat ik nog moest plassen!
‘Sorry.’ zeg ik tegen de vrouw naast me en ik wurm me langs haar heen naar het gangpad. Ik loop richting het toilet, maar een stewardess zegt me dat ik op mijn plaats moet gaan zitten, omdat we gaan vertrekken.
‘Maar ik moet heel nodig naar de wc.’ Ik trek een moeilijk gezicht.
‘Het spijt me, u moet echt even wachten tot we zijn opgestegen.’ Ze gebaard richting mijn stoel. Ik loop langzaam, met zo min mogelijk beweging terug naar mijn plaats. Ik zie er vast erg vreemd uit met dit loopje. Knijpen, Tanja, niet in je broek plassen!
‘Sorry hoor.’ zeg ik als ik de vrouw weer passeer.
‘Geeft niet.’ lacht ze.
‘Ik moet zó ontzettend erg naar de wc, maar ik moet wachten tot we zijn opgestegen.’
‘Ah, dat is vervelend ja.’ knikt ze begrijpend.

Het lampje ‘riemen vast’ springt aan en de stewardess begint een verhaaltje te vertellen over vluchtwegen of zoiets, maar ik luister niet. Ik kan alleen maar aan mijn blaas denken. Ik moet plassen! Schiet op! Vlieg dat ding de lucht in. Mijn blaas knapt bijna. Schiet op, schiet alsjeblieft op. Het toestel beweegt. Ik zie de startbaan links van me. Rij nu door! Kom op. We maken een bocht. Ik hoor de motoren ronken en voel dan dat het vliegtuig snelheid maakt. Het hobbelt als een gek en ik moet nog harder knijpen. Stijg op, kom stijg op! Ik red het niet meer, alsjeblieft, stijg op. Ik wend mijn blik hemelwaarts en wiebel heen en weer in mijn stoel. Ik voel dat de wielen van de grond komen. We zweven. Nu even de hoogte in en dan plassen. Na de langste zeven minuten van mijn leven springen de lampjes uit, de riemen mogen los. Als een op hol geslagen bok spring ik over mijn buurvrouw heen en sprint ik naar de wc. Ik draai de deur op slot en ga op de wc zitten. Dit is zo ongeveer het meest zalig gevoel dat ik ooit heb gehad. Mijn overvolle blaas die leeg loopt. Ah… ik sluit mijn ogen en ben ontzettend opgelucht dat ik niet in mijn broek geplast heb. Stel je voor. Het was wel echt een actie voor mij geweest. Ik hoor het mijn vriendin Hilde al zeggen. ‘Tanja, dat is écht weer iets voor jou!’ en ze zou dubbel liggen van het lachen. Ik waarschijnlijk ook. Er verschijnt een glimlach op mijn gezicht. Nadat ik mijn sanitaire stop gemaakt heb, loop ik weer terug naar mijn plaats.

‘Sorry, dit is voorlopig de laatste keer.’ zeg ik tegen mijn buurvrouw. Gelukkig kan ze er mee lachen.
‘Het geeft niet. Dat lucht zeker wel op hè?’ Ze knipoogt naar me.
‘Zeg dat wel ja. Zo ernstig is het nog nooit geweest.’ Ik laat me achterover in de stoel zakken.
‘Zo. En nu even rust.’ Ik kijk even uit het raam en onder me zie ik honderden huisjes en groene en gele weilanden.
‘Je zult je wel gehaast hebben, aangezien je als laatste incheckte.’ zegt de vrouw na een poosje.
‘Oh, mevrouw, u wilt niet weten hoe mijn ochtend verlopen is. Verschrikkelijk. De ene ramp na de andere ramp. Het is een wonder dat ik hier überhaupt zit.’ De vrouw lacht.
‘Zeg maar Bernice.’
‘Ik ben Tanja.’ We schudden elkaar de hand.
‘Zo erg kan het toch niet zijn?’ Ze kijkt me nieuwsgierig aan.
‘Nou. Geloof me. Dat kan. Ik ben niet voor niks Tanja en bij Tanja gaat altijd alles mis.’ Ik rol met mijn ogen.
‘Vertel, wat ging er allemaal mis?’ Ze kijkt geïnteresseerd naar me. Wil ze het echt weten? Ze blijft me vragend aankijken. Nou, vooruit dan maar, ik heb toch niets anders te doen.

Ik vertel haar hoe het begon met mijn wekker, die ik verkeerd had ingesteld. Waardoor ik me vervolgens als een gek aan moest kleden. Ik had maar een halve cracker gegeten als ontbijt en een slok koude koffie die ik gisterenavond op het aanrecht had laten staan, die ik overigens weer heb uitgespuugd, want het was absoluut niet meer te drinken. Eenmaal in de auto trok ik de conclusie dat mijn benzine bijna op was. Dus ik moest gaan tanken, maar ik zat in tijdnood. Ik vertel haar over de lange rij bij het tankstation, de blonde vrouw en mijn negatieve saldo. Tot slot vertel ik haar over mijn high-heels-eindsprint. De vrouw moet lachen. Als ik er zo op terug kijk, kan ik er ook wel een beetje om lachen. Het is gewoon typisch mij. Ik ben een kluns, een klungel en een ontzettend warhoofd.

Bernice vertelt leuke anekdotes over dingen uit haar leven. Ze verteld ook over minder leuke dingen die haar zijn overkomen. Ze heeft heel wat meegemaakt. Tenslotte vraag ik haar of ze het er erg vind als ik wat aantekeningen maak en ik leg uit waarom. Ze stemt in. Ik pak mijn kladblok uit mijn handtas en begin te schrijven. De tijd vliegt letterlijk voorbij en het is ontzettend leuk en inspirerend om Bernice te leren kennen. De piloot roept om dat we over een klein kwartiertje gaan dalen en vervolgens de landing in gaan zetten. Na een kwartier raken de wielen van het vliegtuig de landingsbaan. We zijn er. Nou ja, bijna dan. Ik ben in elk geval in het juiste land aangekomen. Toch? Ik zit toch wel in het juiste vliegtuig? Ja natuurlijk, anders hadden ze me niet aan boord gelaten. Of zouden ze ook soms een foutje maken? Ik kijk wat angstig om me heen.
‘We zijn toch in Spanje geland?’ vraag ik Bernice. Ze moet lachen.
‘Ja mijn kind, we zijn in Spanje geland.’ Ze geeft me een knipoog.

Bij het verlaten van het vliegtuig wens ik Bernice een goede reis en veel plezier bij haar dochter, die woont in Madrid met haar schoonzoon en drie kinderen. Ze gaat er elke zes weken op visite, heeft ze me vertelt. Bernice wenst me veel succes met de sessie en hoopt dat er vandaag niets meer mis zal gaan. Wat een lief mens.

 

#2 Pechdag

 

 

 

Geef een antwoord